Terug naar Utils

Weer

Typical Weather

Typical Weather laat voor ruim 1.500 steden in 30 landen zien hoe warm het op elke dag van het jaar meestal is, uit meer dan een eeuw metingen van weerstations. Op deze pagina lees je hoe die getallen tot stand komen.

Waarom niet gewoon het klimaatgemiddelde?

Wie maanden vooruit een bruiloft, vakantie of evenement plant, heeft niets aan een weersverwachting: die reikt hooguit twee weken vooruit. Wat wel kan, is kijken hoe het weer op die dag meestal is.

Meteorologen gebruiken daarvoor het gemiddelde over dertig jaar; het KNMI op dit moment 1991 tot en met 2020. Zo'n gemiddelde loopt achter: het midden ervan ligt ruim twintig jaar in het verleden, en sindsdien is het merkbaar warmer geworden. Alleen de laatste tien jaar nemen is ook geen oplossing, want dan trekt één hittegolf of natte zomer het gemiddelde alle kanten op.

Drie periodes in plaats van één gemiddelde

Typical Weather knipt de geschiedenis daarom in drie periodes die elkaar niet overlappen: de laatste tien jaar, de dertig jaar daarvoor, en alles wat ouder is. Per periode wordt voor elke dag van het jaar het gemiddelde genomen van de middagtemperaturen van een week ervoor tot een week erna. De laatste tien jaar telt voor 45 procent, de dertig jaar daarvoor voor 35 procent en de oudere metingen voor 20 procent.

Zo weegt het recente verleden het zwaarst, zonder dat één uitschieter alles bepaalt. Bovendien laten de drie periodes naast elkaar de opwarming per plek zien: in Amsterdam in juni waren de laatste tien jaar gemiddeld 2,7 °C warmer dan meer dan veertig jaar geleden.

Meetstations in plaats van modellen

De metingen komen uit GHCN-Daily van het Amerikaanse NOAA: dagelijkse waarnemingen van weerstations over de hele wereld, vaak meer dan een eeuw terug. De reeks van De Bilt begint in 1901. Per regio is één station met een lange, betrouwbare reeks gekozen.

Voor de recente jaren is eerst ERA5 gebruikt, een heranalyse: een weermodel dat alle waarnemingen combineert tot een raster over de hele aarde. Naast de stations gelegd bleek ERA5 gemiddeld 0,7 tot 1,1 °C koeler, en in bergen en op eilanden tot vier à vijf graden, omdat een rastercel van zo'n dertig kilometer een berg, dal en kust tot één getal middelt. Daarom komen alle periodes nu waar mogelijk uit het station zelf. Alleen waar een station recente jaren mist, wordt ERA5 nog gebruikt, gecorrigeerd met het verschil tussen station en model in de jaren dat ze allebei bestonden. Voor Amsterdam op 12 juni ging de gebruikelijke middagtemperatuur daardoor van 19,3 naar 20,2 °C.

Tussen de stations in

Niet elke plaats heeft een weerstation om de hoek. Voor een plek tussen meetpunten wordt het gemiddelde genomen van de drie dichtstbijzijnde stations binnen 300 kilometer, waarbij een station twee keer zo dichtbij vier keer zo zwaar telt. Getest door steeds één station weg te laten en het uit de andere te voorspellen: met alleen het dichtstbijzijnde station is de fout gemiddeld 1,8 °C, met het gewogen gemiddelde 1,5 °C. Voor plekken die echt tussen twee stations liggen daalt de fout van 1,8 naar 1,0 °C.

Wat je op de site vindt

Voor elke plek en datum de gebruikelijke middagtemperatuur, met de dagen eromheen. Per dag de drie periodes apart, de nachttemperatuur, de marge waarbinnen de middagtemperatuur op acht van de tien dagen valt, de warmste en koudste dag ooit gemeten en hoe snel die tijd van het jaar opwarmt; voor 12 juni in De Bilt is dat 0,24 °C per tien jaar sinds 1950, met een record van 31,8 °C uit 1919.

Per land staat er een overzicht, zoals de gemiddelde temperatuur per maand voor alle Nederlandse steden, en je kunt steden vergelijken, bijvoorbeeld Berlijn in juli met Madrid in juli. De site is er in het Nederlands, Engels, Duits, Spaans, Frans en Portugees.